Naar inhoud

Terug

Nekt nieuw financieringssysteem deeltijds onderwijs?

Uit voorlopige cijfers blijkt dat centra voor deeltijds onderwijs (CDO’s) minder jongeren doorverwijzen naar een persoonlijk ontwikkelingstraject (POT).

Is dit het gevolg van het nieuwe financieringsmechanisme?

Vlaams volksvertegenwoordiger Kathleen Helsen (CD&V)  vindt de cijfers vooral opmerkelijk omdat in de welzijnssector het aantal jongeren dat een beroep doet op hulpverlening stijgt, terwijl dat in het onderwijs daalt met 31% voor alle soorten POT-trajecten samen. Vraag is of de oriëntering naar een gepast traject gebeurt op basis van de werkelijke noden van de jongeren, of op basis van de gevolgen voor het pakket leraarsuren van de CDO’s. Kathleen Helsen zou dit laatste begrijpelijk vinden vanuit het oogpunt van de CDO’s. Een doorverwijzing leidt immers tot een daling van het eigen leerlingenaantal en dat kan op zijn beurt een inkrimping van het lerarenteam betekenen. Daardoor komt de kwaliteit van de begeleiding in de eigen instelling in het gedrang. “Als het nieuwe financieringsmechanisme werkelijk de reden is van de spectaculaire daling van het aantal POT’s, moeten we ingrijpen. Het gaat hier om de meest kwetsbare groep jongeren. Als overheid moeten we volop in hen durven investeren”, aldus Helsen.

Het nieuwe decreet leren en werken kiest sinds september 2008 voor een voltijds engagement voor jongeren in het deeltijds onderwijs. Dit houdt in dat een jongere gedurende minimaal 28 uren per week de component leren combineert met de component werkplekleren. De component werkplekleren kan worden ingevuld via arbeidsdeelname, een brugproject of een voortraject.

Heel wat jongeren zijn vaak nog niet volledig klaar om te gaan werken. Voor hen lukt een voortraject of brugproject nog niet. Zij kunnen de componenten leren en/of werkplekleren vervangen door een POT, met als doel door te stromen naar een gekwalificeerd traject.

Een POT wordt georganiseerd door centra voor deeltijdse vorming (CDV). Die hebben heel wat expertise opgebouwd en bieden een traject op maat van de jongere. Door een wijziging in het financieringsmechanisme is het sinds 1 september 2010 zo dat leerlingen waarvoor de component leren wordt vervangen door een POT voor de ganse duur van het schooljaar, niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het pakket uren-leraar van het centrum voor deeltijds onderwijs (CDO) waar ze zijn ingeschreven. Concreet: als een CDO een leerling doorverwijst naar een POT, verliest het CDO de leraarsuren. Dat was vroeger niet het geval.

Bij de start van het nieuwe financieringsmechanisme waarschuwde Kathleen Helsen al voor de mogelijk nefaste gevolgen voor de jongeren en het vormingswerk. De minister van Onderwijs heeft toen aangekondigd dat hij de CDO’s zou waarschuwen en de CDV’s garanties zou geven.

De praktijk wijst echter uit dat de instroom in de persoonlijke ontwikkelingstrajecten sinds dit schooljaar drastisch gedaald is ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. CDO’s verwijzen jongeren door naar initiatieven waarbij ze hun uren niet verliezen, zoals bijvoorbeeld time-outprojecten. Tellingen tonen een daling van 31% van alle soorten POT-trajecten samen tegenover dezelfde periode in 2009. Voor jongeren die zowel de component leren als werkplekleren vervangen door een POT gaat het zelfs over een daling van 40%.

Kathleen Helsen kaartte dit probleem aan bij de minister[PDF]: “Leerlingen in een POT zijn vaak de meest kwetsbare jongeren. We moeten nauwgezet onderzoeken of de nieuwe financiering perverse gevolgen heeft. Jongeren dreigen de begeleiding te verliezen, die net zo cruciaal is voor hen. Dit kan niet de bedoeling zijn. Leerlingen doorverwijzen moet immers op basis van grondige screening van de ontwikkelings- en ondersteuningsnoden gebeuren. En niet op basis van financiële gevolgen voor de CDO’S.”

Ook wees de CD&V-onderwijsspecialiste op het belang van kwaliteitsvolle begeleiding in een POT: “De mensen die in een CDV met deze jongeren aan de slag gaan, hebben hiervoor de nodige expertise. Zij moeten voldoende middelen krijgen om hun werk kwaliteitsvol te blijven vervullen. We moeten voorkomen dat er omwille van de nefaste gevolgen van het financieringsmechanisme werkonzekerheid ontstaat bij het personeel, met een daling van de kwaliteit tot gevolg.”

De minister reageert positief op het voorstel van Kathleen Helsen om wetenschappelijk onderzoek op te zetten dat de toeleiding naar de centra voor leren en werken en het profiel van de jongeren die kiezen voor het systeem, duidelijk in kaart brengt. Ook engageert de minister zich ertoe de ontwikkelingslijnen van jongeren in de vier fasen in het systeem ‘leren en werken’ te monitoren. Het financieringsmechanisme zal op basis van dat onderzoek worden bijgestuurd.

Kathleen Helsen is tevreden dat de minister zich een gedetailleerd beeld wil vormen van het doorverwijsgedrag van de CDO’s, nauw zal toezien op schommelingen in het aantal POT’s en ingrijpen als de daling zich verder zet. Bovendien geeft de minister aan de CDV’s de garantie dat zij over voldoende financiële middelen zullen beschikken om hun personeel te behouden.

Lees het artikel in De Morgen

Toegevoegd op 05 november 2010

Tags: Deeltijds onderwijs, Gelijke kansen, Leren en werken, Vlaams Parlement, Welzijn,

Facebook

Wie ik ben?

Ik ben Kathleen Helsen en woon samen met mijn man Danny en dochter Marie in Herselt. Ik ben schepen en volksvertegenwoordiger in het Vlaams Parlement. De thema's die me nauw aan het hart liggen, zijn onderwijs, werk en welzijn.

Meer over mij.

Schrijf in voor mijn nieuwsbrief

Bekijk hier alvast het archief.